Het Lustoord tusschen Amstel en Grebbe En elders in het Sticht van Utrecht. J.B. Christemeijer, Schoonhoven, 1837
Link naar het boek
Jan Bastiaan Christemeijer (1794-1872) vocht als soldaat mee in de slag bij Waterloo. Na diverse banen werd hij provinciaal ambtenaar in Utrecht. In zijn tweede boekje, Het lustoord tusschen Amstel en Grebbe (1837), wandelde Jan Bastijaan Christemeijer opnieuw door de provincie Utrecht. Het was een vervolg op de wandeling die hij een jaar eerder had gepubliceerd in het boekje ‘Landelijk schoon in het Sticht van Utrecht’. ‘Het lustoord’ is een van de vroegste reisgidsen uit de eerste helft van de negentiende eeuw, waar het vervoer per schuit of diligence wordt afgewisseld met uitstapjes, met wandelingen. “Wij wandelen, gemakkelijk in een half uur, van Loenersloot naar Vreeland, door eene laan , waarin hier en daar, onder beschaduwend loover, eene bank is geplaatst, van welke plekjes men tevens een aardig landgezigt heeft. Behagelijk ligt aan den ingang van deze laan een in een' fraaijen trant gebouwd tolhuis, hetwelk, met het omringend geboomte, een aardig landschapspartijtje op dien plek doet ontstaan.”
Het boek opent met een indrukwekkende lijst van ‘inteekenaren’ op 13 pagina’s. De auteur woont in Amsterdam en beschrijft zijn reis naar Utrecht. De beschrijvingen van de wandelingen zijn in de vorm gegoten van drie ‘brieven aan een vriend’. Het is niet ‘een aanwijzing voor de weg alleen’, maar het gaat ook over het landelijk schoon in het Sticht van Utrecht. De beschrijvende tekst wordt afgewisseld met toepasselijke poëzie. “Als een getrouw gids, wil ik mij niet bepalen tot het enkele aanwijzen van den weg alleen; maar ook op het oog nemen wat daartoe en nevens behoort. En als zoodanig komt al aanstonds in aanmerking hetgene gij mij schrijft omtrent den tijd des jaars, tot het doen van uw uitstapje gekozen.” Zie ook het artikel op onlinemuseumdebilt.
Gids door de Heerlijkheid Doorwerth. J.G.H. van der Dussen, Arnhem, 1847.
Link naar het boek.
Johan Gerard Hendrik van der Dussen (1820-1891) werd in 1842 rentmeester van de heerlijkheid Doorwerth. Hij beheerde de bezittingen voor Baron van Brakell, die het kasteel in 1837 had gekocht en in die tijd in ere herstelde. Van der Dussen woonde en werkte in de rentmeesterswoning op het kasteelterrein.
De schrijver van dit bescheiden boekje beschouwt Doorwerth als een van de grootste aaneengesloten landgoederen in Gelderland, waar elders versnippering troef is. “Het domein van Doorwerth, tijdens het bezit van den tegenwoordigen eigenaar door aankoop van aanliggende gronden aanmerkelijk vergroot, is welligt de uitgestrektste aan één gelegene bezitting in ons land, die alle andere op de Veluwe in innerlijke waarde overtreft.” De omgeving hier heeft zoveel te bieden dat “om die genoegens op de beste wijze te kunnen smaken, is het verkieslijk eenen ganschen dag te Doorwerth door te brengen en uit de voorgestelde wandelingen eene keus te doen.” Na het voorwoord, een algemene inleiding over de omgeving en specifiek over Kasteel Doorwerth worden de volgende zes wandelingen beschreven: Wandeling over het Jagtpad, Wandeling van het kasteel naar Oosterbeek langs de bergen, Wandeling van het kasteel naar Heelsum en verder naar Wolfheze, Wandeling over het stationspad en tenslotte Wandeling over den Doorwethschen Straatweg, genaamd De Antonsweg, naar Wolfheze. (1)
In het voorwoord laat van der Dussen weten dat Doorwerth goed te bereiken is, vanuit Arnhem per rijtuig of met de trein vanuit Wolfheze en dan met een aanloop over ‘het stationspad’. De wandelaar die de streek al kent wordt aangemoedigd om te variëren op de wandelingen uit dit boekje. “Hij, die reeds met deze landstreek bekend is, zal welligt voor zich zelven een ander plan ontwerpen om het domein van Doorwerth te doorwandelen.“ Voor elke wandelaar wat wils. “zoo kan men zich in allerhande rigtingen eene wandeling kiezen. Gelijk alles in de Natuur kenmerkend is, zoo is ook de smaak der menschen verschillend. De een bemint het woelige gedrang der menigte; de ander verkiest de eenzaamheid; deze beklimt met welgevallen den heuveltop, waar het vrije oog heinde en ver in de rondte blikt; gene geeft de voorkeur aan het belommerde dal, dat door eene heldere beek wordt besproeid. Moge deze gids welgevallig zijn aan velen!”
De manier waarop deze auteur zijn wandelingen beschrijft suggereert dat hij je al lopend meeneemt. Nauwkeurig noteert hij wat onderweg aan zijn oog voorbijtrekt, minutieus bijna. Het volgende citaat uit de impressionistische beschrijving van het Jagtpad geeft een goed idee. “Eerst loopt het pad langs den rand van eenen afgrond en geeft eenen schilderachtigen aanblik op eene schaapskooi en het amphitheaters gewijze zich verheffend geboomte; dan kronkelt het langs den boschkant, terwijl het een afwisselend gezigt van graanveld, struik- en boomgewas oplevert. Het kruist vervolgens den breeden weg achter de herberg en opent nu de heerlijkste partijen.” Het Jagtpad lijkt bijna een bewegwijzerde route te zijn. De hedendaagse wandelaar zou op zoek gaan naar een kaart of een gpx-track of googelt op het wereldwijdeweb ‘jagtpad Doorwerth’. Opvallend is dat bij iedere wandeling wordt aangegeven hoe lang het tochtje duurt. De zes routes zijn relatief kort: van een ‘half uur gaans tot 1 uur gaans’.
(1) Zie ook: Mathilde Maijer en Geert Nijland, Wandelen in het Doorwerth van 1847. In het voetspoor van Van der Dussen, Wageningen, 2019 en een blog van Mathilde over dit boek.
Reizen in den Vreemde
In 2011 werd door de bilbliotheek van de universiteit van Wageningen een tentoonstelling georganiseerd onder de titel ‘Reizen in den Vreemde’. “De tentoonstelling ‘Reizen in den Vreemde’ toont een selectie van bijzondere en prachtig geïllustreerde reisverslagen, prenten, dagboeken en reis- en wandelgidsen van 1650 tot 1930 uit onze collectie. De selectie beslaat drie thema’s: verre reizen, studie- en cultuurreizen in Europa en wandelen in Nederland.” Het onderdeel ‘Wandelen in Nederland’ lijkt misschien niet helemaal gepast, maar ‘in den vreemde’ moeten we dan maar breed interpreteren. De inleidinde teskt bij dit onderdeel is interessant genoeg om hier over te nemen. “Wandelen is iets van alle tijden. Was het wandelen (lopen) vroeger vooral een manier om van de ene plaats naar de andere te komen bij gebrek aan andere vervoersmiddelen, tegenwoordig is wandelen vooral een recreatieve bezigheid. In vroeger tijden werden afstanden gemeten in uren gaans, en het dorp verderop was voor veel mensen al een ‘reize in den vreemde’. Wandelen als ontspanning was vooral iets voor de gegoede burgerij. De zondagswandeling in het park, aangelegde tuinen bij buitenhuizen was vooral ook een sociale bezigheid.”
We noemen hier op basis van de tentoonstelling in vogelvlucht en hap-snap nog een drietal schrijvers van vroege ‘wandelgidsen’ uit de periode 1800-1850. Uitvoeriger literatuuronderzoek is nodig om het verhaal van de eerste wandelgidsen precies en systematisch in kaart te brengen. Wij hebben hier door middel van een viertal blogs hopelijk een eerste aanzet gegeven. (2)
(2) In het tijdschrift Oud Utrecht (augustus, 2010) verscheen een interessant artikel ‘Historisch wandelen’, waarin wandelaars verslag doen hoe huidige wandelroutes meer inzicht kunnen geven in lokale geschiedenis. “Wandelen is populair. Lokale geschiedenis is in. Dus verschijnen er steeds meer beschrijvingen van historische wandelroutes. (…) Ervaringen van wandelaars die zes recent verschenen Utrechtse routes uitprobeerden en hun weg zochten over (voormalige) dijken, langs een spoorlijn, in de voetsporen van Nijhoffs Awater of door het groen van Zocher.”
Stephanus Hanewinckel (1766-1856), dominee in Brabant, beschreef in drie anoniem uitgegeven boeken (1799-1801) zijn reizen door de Meijerij van Den Bosch. In 44 brieven beschreef hij twee wandelreizen. “Het is niet duidelijk of Hanewinckel de reizen zoals ze in het boek staan ook echt gemaakt heeft. In de tijd dat ze zijn gepubliceerd was hij dominee in Oost-Graftdijk (N-H), en uit gegevens blijkt niet dat hij die gemeente langdurig heeft verlaten.” F. C. Meijneke schreef er een boek over ‘Op reis door de Meierij met Stephanus Hanewinckel: voettochten en bespiegelingen van een dominee, 1789-1850’, Tilburg, 2009.
In de zomer van 1823 maakten de studenten Dirk van Hogendorp en Jacob van Lennep in plaats van de ‘grand tour’ een voetreis door Nederland. Allebei hielden ze nauwkeurig aantekeningen bij, die werden vastgelegd in reisverslagen. Van Lennep stuurde zijn verslag in brieven aan zijn zus Antje. Later heeft hij deze brieven twee keer bewerkt tot een dagboek. De wandeltocht was behalve een ‘inspectie van de natie’ ook een manier om bekenden te ontmoeten en vriendschappen aan te halen. Naarmate de reis vorderde werd het wandelen minder en werd er gekozen voor andere manieren van vervoer. Geert Mak en Marita Matthijsen maakten een heruitgave van het dagboek van Van Lennep. ‘Lopen met Van Lennep: de zomer van 1823: dagboek van zijn voetreis door Nederland’. Zie ook het verslag op de website Op Vrije Voeten van Ria Warmerdam, waar zij in Noord-Holland in de voetsporen treedt van Van Lennep.
Dominee Otto Gerhard Heldring uit Hemmen schreef samen met R.H. Graadt Jonckers in 1841 het reisboek ‘De Veluwe, Eene wandeling’. “Een verslag van een ontdekkingstocht door een totaal onontgonnen gebied, waar hij zonder gids waarschijnlijk nooit meer uit gekomen was.” Deze stevige gids van 251 pagina’s verdient meer dan een enkele vermelding hier. Wellicht besteed ik er binnenkort nog eens een afzonderlijke blog aan. En alweer een wandelende dominee! Otto Heldring was bekend met de ‘toeristische’ Veluwezoom, maar vond de échte Veluwe maar eng. “Van onze kindschheid af aan waren onze wandelingen wel het meest langs den fluweelen zoom van het heerlijk Veluw-landschap, naar een' der schoone lusthoven gerigt, om daar, met zoo vele vreeemdelingen, allen rijkdom van afwisselende vergezigten, alle sierlijkheid van bevalligen aanleg, en al de levendigheid, als de ruischende watervallen en springende fonteinen het oog kunnen verschaffen, te genieten. Nimmer echter waren wij verder gekomen. Daar achter lag, in onze oogen, een land van eeuwige heiden, onafzienbare zandwoestijen, en ontzaggelijke bosschen.” Heldring somt in het tweede hoofdstuk ‘Ons Reisplan’ wel zes verschillende redenen op de Veluwe uiteindelijk toch te voet te gaan verkennen. Hij werd vooral bekend vanwege zijn inspanningen om het dorp Hoenderloo -een verzameling plaggenhutten- te laten opbloeien en te stichten. Nadere toelichting van de andere wandelingen over de Veluwe bewaren we voor later.




