Wandelen is omlopen
Beste lezer, staat u mij toe om te beginnen met een citaat van mijn grote wandelvoorganger - in de dubbele betekenis van het woord - , Jacobus Craandijk en met wat persoonlijke wetenswaardigheden. “Als voetgangers kiezen wij de meest gebaande paden niet en den naasten weg hebben wij niet noodig”, schreef de wandelende dominee in 1882. En dat is nu, anno 2026, natuurlijk nog steeds zo. Wandelen is misschien wel per definitie omlopen. Als wandelaar geniet je van het onderweg zijn, van de natuur en het landschap, van de rust en de traagheid. De ‘Wandelingen door Nederland met pen en potlood’, tussen 1875 en 1884 in zeven delen gepubliceerd door Jacobus Craandijk, behoren inmiddels tot ons cultureel erfgoed, zo niet tot de canon van de Nederlandse wandelwereld. De wandelende dominee schreef en publiceerde deze boeken in de tweede helft van de 19e eeuw in een breed uitwaaierende, lyrische stijl, zoals voor die tijd gebruikelijk. Hij deelt zijn enthousiasme over de schoonheden van het Nederlandse landschap. Maar hij noteert ook kritisch de veranderingen die niet altijd ten goede komen aan het landschap. Hij noemde zijn eigen werk ook wel een ‘monument van verdwijnende Nederland’. Nu, zo’n anderhalve eeuw later vind ik het nog steeds spannend om Craandijk te lezen en te citeren en om de verschillen te laten zien in het wandellandschap van toen en nu.’
Citaten plukken
Ik ben, sinds ik in de wandelwereld ben terechtgekomen, altijd gecharmeerd geweest van de boeken van Craandijk. Voor een deel zal dat komen omdat zijn boeken over de wandelingen in Nederland gemakkelijk en niet al te duur antiquarisch verkrijgbaar zijn. Voor een ander deel fascineert een wandelende dominee mij, omdat ik zelf ooit ook een paar wankele schreden heb gezet op het pad der theologie. Onder een ander gesternte was ik geen literatuurwetenschapper of professioneel wandelaar geworden, maar dominee of op zijn minst afgestudeerd theoloog. Maar het lot had andere plannen met mij. Misschien heeft het ook te maken met het feit dat ik liever in de tijd van Craandijk geleefd zou hebben, in een minder hectische tijd, in een tijd waar nog geen auto’s bestonden, in een tijd waar nog méér tijd was. De wandelverhalen van Craandijk zijn een onuitputtelijke bron om citaten te plukken voor mijn eigen werk. Achtergrondinformatie bij wandelroutes of wandelgidsen kan historisch opgeleukt worden met bloemrijke citaten van Craandijk. Regelmatig heb ik bij begeleide wandelingen op een betekenisvolle plek stilgestaan om voor te lezen uit Craandijk. Om mijn passie voor deze plek met zijn woorden kracht bij te zetten of om te laten zien hoe sterk deze plek veranderd is ten opzichte van het einde van de negentiende eeuw. De betekenis van het werk van Craandijk kan niet licht onderschat worden. Wat ook wel blijkt uit het feit dat citaten uit zijn werk regelmatig als autoriteit dienen in teksten van toeristische organisaties om een gebied of plek aan te prijzen. Herdrukken van zijn werk of bloemlezingen uit zijn werk worden tot op de dag van vandaag uitgegeven.
De eerste wandelaar
Flip van Doorn publiceerde in 2017 een lijvig boek met de titel ‘De eerste wandelaar’ over Jacobus Craandijk. Ik voelde me vereerd toen Flip mij vroeg om als proeflezer de eerste versies van de hoofdstukken mee te lezen. Ik heb het ontstaan van het boek van dichtbij meegemaakt en heb met mijn kritische commentaar een bijdrage kunnen leveren. Maar of Craandijk nou echt de eerste wandelaar was? Journalistiek gezien bekt dat natuurlijk lekker, maar het is ook een simplificatie. Craandijk is onderdeel van een bredere maatschappelijke verandering, beweging, kentering. Diverse andere auteurs vóór hem die ook al soortgelijke boeken over wandelingen publiceerden, weliswaar niet voor heel Nederland maar dan wel voor delen van Nederland. Om er een paar te noemen: Van Lennep en Hogendorp, Adriaan Walraven Engelen, Ottho Heldring, Derk Budding, Andries Schoenmakers, Stephanus Hanewinckel. Kortom, ik betwijfel of Craandijk de eerste échte (wat dat dan ook moge wezen) wandelaar is geweest, ik denk eerder dat hij een van de eerste vele wandelaars was. Craandijk was zeker ook niet de eerste wandelgidsenschrijver. Ik heb daar eerder een serie blogs aan gewijd die te lezen zijn op mijn website.
Rozendaal-Biljoen-Middachten
Ik ga hier één tekst van Craandijk secuur, nauwkeurig, langzaam lezen en herlezen, interpreteren en analyseren, herkauwen en ‘close readen’. Ik borduur voort op de traditie van Merlyn en mijn deconstructieve literatuurkritiek in de jaren 80 van de vorige eeuw. In zo’n literaire lezing moet ook oog zijn voor de contradicties en tegenstrijdigheden in de tekst. Het gaat om het eerste hoofdstuk uit deel 7 van de ‘Wandelingen door Nederland met pen en potlood’ met de titel ‘Rozendaal-Biljoen-Middachten’ gepubliceerd in 1884, waarin de auteur ons meeneemt op een wandeltocht tussen Arnhem en Dieren, met nadruk op de landgoederen langs de Veluwezoom (pagina 1-64) . De tekst is digitaal in te zien en te downloaden op de website van DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren). Ik heb dezelfde tekst - met de pen in de aanslag - op papier gelezen in de uitgave ‘Wandelingen door Nederland Gelderland I’ in 1968 verschenen (pagina 20-80) en gebaseerd op de 4e uitgave van ‘Wandelingen door Gelderland’ uit 1894. In het bestek van dit artikel zie ik ervan af om te onderzoeken wat de exacte verschillen zijn tussen deze twee versies. Duidelijk is wat Craandijk in het voorwoord bij deze uitgave schrijft. “Trouwens een volledige Wandelgids kon noch wilde ik ditmaal, evenmin als vroeger, leveren. ’t Zou ook te minder noodig zijn, omdat voor verschilende veel bezochte gedeelten van Gelderland zeer goede afzonderlijke wandelgidsen in het licht zijn verschenen.” Hij heeft nooit de pretentie gehad een ‘echte’ wandelgids te schrijven, het is eerder een wandelverslag of een reisbeschrijving. Literaire non-fictie? Een genre-discussie is niet ver weg. Op diverse andere plaatsen in zijn werk moedigt Craandijk de lezer zelfs aan om zijn eigen weg te zoeken en zich niet de weg te laten voorschrijven door een gids. “Gij verlangt hier geen’ gids, die u commandeert…Uw oog wil opzien en rondzien, niet staren op de doode bladeren van het reisboek.” Ik wil in mijn literaire lezing van de tekst aandacht besteden aan de specifieke schrijfstijl van Craandijk, aan het talige, retorische karakter. Niet alleen de inhoud van zijn wandelverhalen is belangrijk, maar ook de manier waarop hij zijn verhaal vertelt. Zijn ‘poëtica’ tussen de regels is interessant: schrijven is kiezen, taal is ontoereikend om de veelheid aan ervaringen en mogelijkheden weer te geven. Het is net of Craandijk in zijn teksten onophoudelijk aan keuzestress lijdt. Vandaar de veel voorkomende zou-modus in zijn teksten, in taalkundige termen beter bekend als de irrealis. Ik kom daar op terug.
Natuur en cultuur
Zijn verhaal over de drie belangrijkste landgoederen aan de Veluwezoom tussen Rozendaal en De Steeg begint met een excuus. Eind negentiende eeuw waren de landgoederen niet alleen meer voor de welgestelden weggelegd, maar ook het gewone volk kon met de nieuwe tram- en spoorlijnen deze streek op een comfortabele manier bereiken. En dat deden de mensen en masse, het werd al snel een populair wandelgebied. Vanwege die bekendheid bij een groter publiek en zeker bij de toeristen die enkele weken aan de Veluwezoom verbleven excuseert Craandijk zich op voorhand dat hij maar een beperkt aantal onderwerpen kan bespreken en dat veel onbesproken moet blijven. Niet alleen onbesproken, wanneer je hier maar een paar dagen kunt vertoeven, dan blijft ook veel ongezien. “Wie, als wij, zich een paar dagen er ophielden, hebben 't ook ondervonden, dat er vrij wat ongezien moest blijven! Te meer is dit het geval, waar wij ons niet uitsluitend bepalen tot het rondzwerven in de vrije natuur.” Dat komt ook omdat Craandijk niet alleen wil “rondzwerven in de vrije natuur. De toegang tot de kasteelen Rozendaal en Middachten is ons vergund en het bezigtigen der merkwaardigheden, daar bewaard, eischt van den toch reeds beperkten tijd wel eenige uren.” Craandijk reserveert die tijd graag om aandacht te besteden aan cultuurhistorie. “Welligt kunnen wij daardoor ook nog iets mededeelen, dat niet van zoo algemeene bekendheid is, terwijl wij voldoen aan onze eigenaardige verpligting, om niet enkel te vermelden, wat schoons de natuur in ons vaderland aanbiedt, maar ook, wat er te vinden is van belangrijke gebouwen en van bezienswaardige inrigtingen.” En hij is hoffelijk genoeg om het alternatief, zwerven door de natuur, nog eens te benadrukken. “De tijd, daaraan besteed, kan door den gewonen wandelaar elders worden gebruikt..”
Verleden en toekomst
De dominee vertrekt vanaf station Arnhem en loopt in de richting van het Velperplein. Hij begint te vertellen wat er niét meer is. “Wallen en poorten heeft Arnhem niet meer.” De vestingwerken zijn verdwenen en Craandijk stelt met de nodige melancholie vast dat alleen sommige straatnamen nog verwijzen naar het vestingverleden. Voordeel is dan wel weer dat er een mooi plantsoen is aangelegd rondom de oude stad, waar wij overigens anno nu nog steeds van kunnen genieten. Na het Velperplein en Musis Sacrum loopt Craandijk via de Steenstraat richting Velperpoort en constateert dat de stad aan weerszijden flink is met nieuwe wijken. Ondertussen geeft hij, na raadpleging van de kaart, als een planoloog avant la lettre nog wat adviezen waar mogelijk nog meer nieuwbouwwijken kunnen verrijzen. Na de Velperpoort begint het échte landgoederenfeest. “Wanneer wij de Steenstraat uit en de poort in den spoorwegdijk door zijn, hebben wij aan weerskanten van den weg een onafgebroken reeks van grooter en kleiner buitenverblijven, wier aantal nog jaarlijks toeneemt.”
Villa’s en lusthoven
Als eerste landgoed langs de Velperweg noemt hij ‘Molenbeke’. Volgt een lyrische beschrijving van het landgoed, zoals het er in de zomer uit zou zien en van hetzelfde landgoed zoals het er nu in het voorjaar tijdens Craandijks bezoek uitziet. Begin negentiende eeuw was dat nog weer heel anders. “In 't begin dezer eeuw was van al den luister, aan den Velpschen weg ten toon gespreid, nog weinig te zien. Wèl golfden de schoone lijnen der heuvels, tot waar de groene grasvlakten van het Arnhemmer en Velpsche broek zich uitstrekten, door een wijde bogt van den IJsel omvat, maar de zandige weg liep toch meestal tusschen dorre heidevelden door en eerst bij de bosschen van Klarenbeek en 't daarmede in 1820 vereenigde Rennen-enk begonnen zich de teekenen van ontginning en bebouwing te vertoonen…”. In een notendop laat de auteur de geschiedenis van dit gebied tussen de 9e en de 19e eeuw hapsnap de revue passeren. Craandijk is niet écht onder de indruk van al deze nieuwlichterij aan het begin van de Velperweg. “Wij zijn den Velpschen weg reeds opgewandeld langs al die teekenen van toenemenden voorspoed, in de lange reeks van villa's en lusthoven openbaar. Eer wij het punt hebben bereikt, waar de oudere landgoederen beginnen, hebben wij reeds veel gezien, wat de bejaarde Arnhemmers in hun jeugd nog niet kenden en wat hun stoutste verwachtingen zeker ver overtrof. Maar het schoone landschap bij den eersten tol heeft, zij 't dan ook in eenige bijzonderheden gewijzigd, reeds sedert meer dan twee eeuwen den wandelaar geboeid.” Hierna komt het echte werk pas. In één adem worden de statige huizen en landgoederen opgesomd: Presikhaaf, Klarenbeek, Rennen-enk en Angerenstein. Craandijk laat de landgoederen en huizen op zijn wandeling links liggen, vaak noodgedwongen omdat veel buitenplaatsen en landgoederen toentertijd niet voor publiek opengesteld waren, wat hem er overigens niet van weerhoudt om uitvoerig op de cultuurgeschiedenis van deze landgoederen in te gaan.
Van Bronbeek naar Rozendaal
Op het vervolg van de wandeling begint het landschap te veranderen. “Voorbij de schoone plek in den kring der bosschen en landhuizen, waaraan de herinneringen uit den ouden tijd een nog grooter aantrekkelijkheid geven, wordt de landstreek wat meer open, vooral naar den kant van den IJsel.” En dan komt Craandijk bij Bronbeek, het ‘Koloniaal Militair Invalidenhuis’. Hij neemt alle tijd om Bronbeek te bezichtigen en wijdt in zijn verslag uitvoerig uit over de geschiedenis van het landgoed. Craandijk realiseert zich dat hij dat ook niet had kunnen doen, dat hij die tijd ook had kunnen besteden om meer van de natuur te genieten. Het blijft een lastige keuze: cultuur of natuur. “Het bezoek aan Bronbeek heeft ons geruimen tijd opgehouden. Wie het niet al te oppervlakkig wil zien, kan er ligt een paar uur aan besteden. Maar tijdverlies noemen wij 't in geene deele, al zou de zonnige lentedag ons krachtig hebben kunnen dringen, ons uitsluitend te bepalen bij 't genieten van het rijke natuurschoon.” Na Bronbeek gaat de tocht verder langs huis Larenstein en landgoed Daalhuizen in de richting van Rozendaal. Niet dan nadat Craandijk opnieuw de ‘zou-modus’ heeft gebruikt. “Langs een' breeden zandweg, tusschen rasters ingesloten en door het ontluikend groen overwelfd, zouden wij, achter Daalhuizen om, Rozendaal kunnen bereiken.” Maar uiteindelijk doet hij dat niet, hij vervolgt de straatweg tot Velp, waar een zijweg naar het dorp en kasteel Rozendaal leidt. Ook hier weer keuzestress. “van 3000 bunders moet er wel vrij wat zijn wat onbezocht en onbezien moet blijven door wie er geen dagen en weken kan doorbrengen, om ook het verborgen schoon in afgelegen buurschappen en ver verwijderde boschpartijen te leeren kennen.” Helaas. Maar uitvoerig wordt de loftrompet gestoken van de ligging van het huis, van de geschiedenis van haar adellijke bewoners, van het bekende park met de bedriegertjes, de omliggende tuinen, het interieur van het kasteel en nog veel meer belangwekkende zaken die betrekking hebben op het landgoed.
Zijstappen
Craandijk vervolgt daarna zijn tocht over de Schelmseweg naar de Apeldoornseweg richting Terlet. Niet alleen en niet te voet, maar met twee wagens in een groep van zes andere geïnteresseerden die op expeditie gaat naar een archeologische vindplaats. Bijzonder genoeg vermeldt Craandijk hier zichzelf en zijn bekende illustrator Schipperus als “de wandelaars met pen en potlood”. Wandelde hij vaker met Schipperus in het echt of is dit ook maar een literaire ingreep? Onderweg ligt het mooiste plekje natuurlijk nét buiten bereik, maar Craandijk gebruikt de irrealis om te laten zien wat tot de mogelijkheden behoort. “Vervolgden wij den Schelmschen weg, die regtuit doorloopt, dan mogten wij niet verzuimen, zijwaarts afteslaan naar de diepe vallei, waarin wij een poëtische waterkom onder hooge stammen tusschen het hakhout verborgen vinden.” Maar helaas, Craandijk moet door. Hij volgt een zanderig spoor door de hei met hier en daar wat bomen naar Deelen. “Wild en woest is het landschap; alleen van verre vertoonen zich huizen en boomen. 't Zijn de meerendeels nieuwe boerderijen van Schaersbergen. Overigens alles wildernis.” Gelukkig, een lommerrijke beukenlaan en de plaats van bestemming is bereikt: de vindplaats van potten en urnen, waar mannen druk aan het graven zijn, op zoek naar nog meer potten en urnen. Craandijk schept er een waar genoegen in om als een schilder naar dit tafereel te kijken. “'t Is een aardig tafereel op de groote, eenzame heide, waard, dat de schilder er een schets van maakt met de overoude, bijna vergane houtskool, zoo pas aan het licht gebragt.” Zelfs een schaapherder die toevallig met zijn kudde langs komt wordt gegrepen door de liefde voor de oudheid. “En weldra grijpt ook hem de ijver voor de oudheid aan. Met zijn schopje gaat hij meê graven en zelfs zijn hond vergeet de kudde voor zóó ongewone dingen, als hij in zijn tot dusver onbetwist gebied ziet gebeuren.” Ondertussen gaat Craandijk met het gezelschap verder naar het gehucht Deelen. Nu hij hier toch is, neemt hij de gelegenheid te baat om het gehucht te bezoeken, maar hij betwijfelt of een doelgericht bezoek aan Deelen wel de moeite waard is. “Of 't ook de moeite van een opzettelijk bezoek zou loonen, is twijfelachtig.” Om vervolgens in lyrische bewoordingen als een schilder dit paradijs op aarde te beschrijven. “Hoe vrolijk steekt het bouwland, waar de jonge rogge rondom eenige hutten en boomgroepen wast, daarginds in het dal, af bij het paarsch en bruin der groote heide, dat allengs overgaat in het fijne blaauw der verre heuvelen. Hoe vriendelijk stroomt het beekje daar door de vallei, langs weiden en peppels, huizen en schuren en boschjes, tot waar 't achter die kloeke boomen verdwijnt.” Als dit geen literaire en pittoreske beleving van het landschap is…..
De zou-modus of irrealis
Wie een modale zin gebruikt, zegt daarmee iets over de relatie tot de werkelijkheid of geeft aan wat hij of zij van iets vindt. Als de zinnen iets uitdrukken wat op dit moment niet het geval is en misschien ook nooit werkelijkheid wordt, noemen we die modaliteit ‘niet-werkelijkheid’ of ‘irrealis’. 'Zullen', 'kunnen' en 'moeten' zijn hulpwerkwoorden van de irrealis. De irrealis of zou-vorm (het had kunnen zijn, het zou kunnen gebeuren, alsof, stel dat) heeft verstrekkende theoretische implicaties. Ze maakt het mogelijk om niet de werkelijkheid zelf, maar de mogelijke werkelijkheid te onderzoeken. De irrealis verwijst naar een werkelijkheid die niet actueel, maar denkbaar is. Taal wordt zo een instrument om alternatieve werkelijkheden te construeren. De irrealis opent een interpretatieve ruimte. Ze nodigt uit om niet alleen te vragen wat er is, maar ook wat er had kunnen zijn. Verhalen leven van de irrealis. Verwachtingen, herinneringen, dromen en verlangens zijn vrijwel altijd in de zou-vorm geformuleerd. Daardoor ontstaat spanning en verbeelding. De irrealis maakt de horizon van mogelijkheden expliciet: elke situatie bevat ongebruikte mogelijkheden. Een wandelaar leest het landschap niet alleen als een verzameling objecten, maar ook als een drager van potentiële verhalen: ‘Hier zou vroeger een rivier hebben gestroomd.’ ‘Dit pad zou naar een verdwenen boerderij kunnen leiden.’ ‘Je zou hier uren kunnen dwalen.’ De irrealis maakt het landschap tot een ruimte van verbeelding. De irrealis ondermijnt de vanzelfsprekendheid van vaste betekenissen. De zou-vorm laat zien dat taal altijd meer mogelijkheden bevat dan één definitieve interpretatie.
Schilderen met woorden
De wandeltocht vervolgt van Rozendaal naar Velp, waar Craandijk constateert dat het van een nietig dorp tot in de 19e eeuw nu een plaats van toeristische betekenis aan het worden is; hij ziet zelfs een toekomst voor zich met een Velp als mondaine badplaats. “Aan het ijzerhoudende water, dat uit de bergen tusschen Rozendaal en Beekhuizen ontspringt, wordt genezende kracht toegeschreven.” Na een kort bezoek aan kasteel Biljoen is er nog nét tijd genoeg over om ook nog even landgoed Beekhuizen te bekijken. “De eerste dag van ons verblijf op Rozendaal spoedt ten einde, althans dat gedeelte, waarin in de Aprilmaand het licht aan den hemel staat. Wij hebben onzen tijd goed besteed, maar zoolang er nog iets gezien kan worden, keeren wij nog niet huiswaarts. De kleine omweg over Beekhuizen kan nog gemaakt worden en het gloeijendroode avondlicht achter de hooge stammen belooft ons nog natuurgenot genoeg.” Nog nét voor het donker wordt volgt een eerste verkenning van Beekhuizen die bij Craandijk opnieuw uitmondt in een picturale omschrijving van wat hij ziet. “Voorts gaat het over hoogten en door dalen en holle wegen, tusschen dennen en berken, wier fijne takken als kantwerk tegen den purperen hemel afsteken, terwijl het dennenloof schittert in gouden gloed en het frissche groen van het jonge koren hier en daar treffend uitkomt tegen het grijsbruin van het akkermaalshout en het geel der zandige kanten en de donkere tinten der heide.”
Niet de kortste weg
De volgende dag komt Craandijk nog een keer terug voor een ‘goede dagmars’ die begint op landgoed Beekhuizen. Hij neemt er nu alle tijd voor en neemt ‘niet den kortsten weg’ om het landgoed verder te verkennen en te beschrijven. Voor wie, zoals ik, landgoed Beekhuizen gesneden koek is, zijn er heel wat verwijzingen in de tekst die ook nu nog bekend voorkomen. Na Beekhuizen wandelt Craandijk verder naar de Zijpenberg en Herikhuizen. De lezer mag kiezen uit diverse routes: de kortste weg vanuit Beekhuizen of via De Steeg over de hei en langs zandwegen óf voor wie niet opziet tegen een pittige tocht over de Rouwenberg. Voor de laatste optie lijkt Craandijk te kiezen, alhoewel het bij hem lang niet altijd duidelijk is of hij ‘écht’ of ‘virtueel’ wandelt. Hoe dan ook, hij beschrijft de wandeling ernaartoe zodanig dat je als lezer soms ook niet meer weet of het nu echt is of niet. “De hooge top, van Nijmegens heuvelen altijd te onderscheiden, is ook van hier gemakkelijk te zien. Reken er op, dat de afstand bedriegt. Hemelsbreed is 't zoo ver niet. Maar 't gaat op en af. Vrij wat bergruggen liggen er tusschen beiden. Telkens, als gij een gladde helling beklommen hebt, wacht u een dal, waarin gij hebt af te dalen, om in het zweet uws aanschijns straks weêr op te stijgen. Soms openen zich fraaije doorkijkjes tusschen de hoogten en schoone vergezigten van de toppen. Doorgaans is de streek het toonbeeld van verlatenheid en gij ziet niets rondom u, dan witte zandbergen, ruwe heide en boven den bruinen rand der diepe dalkommen de heldere lucht. Nu en dan doorsnijdt een wilde karweg, met grintsteenen bezaaid, de wildernis. Geen schepsel is er te zien, slechts de krekel laat zich hooren. Wie zou vermoeden, dat op zoo korten afstand een bloeijend Eden ligt, met al zijn leven en al zijn weelde! Eindelijk is de Rouwenberg toch bereikt.” Hier veroorloof ik me een klein zijpad. Ik heb op de Veluwezoom een enkele keer een wandelgroep begeleid en dan mag ik onderweg graag uit Craandijk citeren. Hier op de Rouwenberg om niet alleen te genieten van de bloemrijke taal van de schrijver, maar ook om te laten zien dat het landschap in een dikke honderd jaar tijd behoorlijk veranderd is. Craandijk stond boven op een berg zonder al te veel bomen waardoor je heel ver weg kon kijken, maar nu is de berg een dichtbegroeid bos zonder uitzicht. “Het hoogste punt heet ‘de Kaap’ en heeft door zijn ligging naar alle zijden een ruim uitzigt, dat wel waard is, er wat moeite voor te doen (…) Hier is 't vooral het groote bosch van Rhederoord, waarbij zich dat van Valkenberg aansluit, de toren van Rheden en de kronkelende IJsel, Arnhems toren boven 't geboomte en de onafzienbare heide, wat het uitzigt op den Rouwenberg onderscheidt.” Nog langer geleden stond hier een jachthuis boven op de berg dat hoorde bij het Hof Te Dieren. En Craandijk zou straightaway naar Dieren kunnen lopen. “Nu wij toch op den Rouwenberg zijn, zou het de kortste weg wezen.” Let wel, zou kunnen wezen, maar dat doet de dominee niet, want hij is niet alleen op pad gegaan om te zwieren en te zwalken in de natuur. De cultuurgeschiedenis van de landgoederen Rhederoord en Middachten vragen ook om aandacht. Dus daalt Craandijk van de Rouwenberg af en wandelt over een holle weg naar het dorp De Steeg. Vooral kasteel Middachten en haar bewonersgeschiedenis krijgen alle aandacht.
Ingebeelde wandelaar
En als je dan ook nog de Onzalige Bossen wilt zien,“dan moeten wij ons van rijtuig voorzien.” Kennelijk komt Craandijk anders in tijdnood. Het rijtuig wordt ingespannen met twee paarden, want “t Gaat bergop en bergaf en menig ruwe zandweg met gaten en kuilen, diep door het afstroomend regenwater uitgespoeld”. Hoewel Craandijk zelf de route met een rijtuig verkent, schakelt hij alweer snel over naar de ingebeelde wandelaar, die bijna bang gemaakt wordt voor wat hem of haar te wachten staat. “Er blijft intusschen nog genoeg over, om den wandelaar ruimschoots te beloonen, vooral, wanneer hij den togt over den Prins Willemsberg en den Carolinenberg er aan verbinden wil. Eenige uren mag hij daar wel voor rekenen. Niet te zwak moet zijn borst, niet te traag zijn voet zijn. Kaart en kompas kunnen te pas komen, wat mondvoorraad en een welgevulde veldflesch zijn niet te versmaden; want evenmin als hij ligt een levend wezen ontmoeten zal, om naar weg of rigting te vragen, evenmin is er - behalve een enkele uitzondering - huis of hut, of zelfs beek of bron te vinden.” Het pad van een wandelaar uit de negentiende eeuw gaat nu eenmaal niet altijd over rozen. En wat een contrast met de huidige tijd, waarin ik als wandelaar geheel comfortabel kan genieten van de prachtige beukenlanen op het landgoed Hof te Dieren, voormalig bezit van de Oranjes. De majestueuze beukenlaan tussen de Prins Willemberg en de Carolinaberg met zijn veertiensprong is ronduit favoriet. Je voelt de eeuwenlange geschiedenis onder je voeten. De Prins Willemberg is 68 meter hoog. De kaarsrechte Koningsweg vormt de verbinding tussen beide heuvels. Deze kaarsrechte wegen stammen uit de zeventiende eeuw. Stadhouder Willem III gebruikte de ‘koningswegen’ als jachtwegen. De wegen moesten zo recht mogelijk zijn en een bepaalde breedte hebben, zodat het jachtgezelschap zich met grote snelheid over de wegen kon begeven. Er is bij de Prins Willemberg een ringlaan om de berg, zodat het vanuit de lucht op een wiel lijkt, met de lanen naar de top als uitgegroeide spaken. De Carolinaberg is 49 meter hoog. De bergen horen bij het Landgoed Hof te Dieren dat vroeger bezit was van de Oranjes. In de 18e eeuw liet prinses Anna, weduwe van de stadhouder prins Willem IV, een deel van het voormalige wildpark omvormen tot een bos voor houtproductie met de naam De Nieuwe Plantage. Het bos werd doorsneden en ontsloten door beukenlanen. Als middelpunt van de veertien lanen koos Anna de top van een heuvel, die zij noemde naar haar enige dochter Carolina. De huidige eigenaar Twickel heeft de afgelopen jaren de grandeur van deze 14 beukenlanen weer helemaal in ere hersteld.
Niet naar Dieren
Terug naar de langzame lectuur van Craandijk. Ik was alweer vergeten dat de route naar de Carolinaberg een fictieve route was. De wandelende dominee bevindt zich nog steeds in De Steeg en neemt de grindweg omhoog via de Middachter bossen naar de het Onzalige bos en de Koepel van Viruly, toen een bekende plek aan de bosrand met een geweldig uitzicht, aldus Craandijk. “Wat rijk en heerlijk panorama! Op den voorgrond de bosschen met hun tinten van grijs en geel en ligt groen, daarachter de heide, purper en bruin, met witte zandduinen en groene korenvelden, verder in de houtrijke vlakte, door de zon verlicht, tal van torens - Deventer, Zutfen, Brummen, Doesburg, Doetinchem, de molens en torens van Didam, het groote kasteel van Enghuizen, de blinkend witte muren van Bingerden. Welk een ruim en bloeijend landschap overzien wij van deze hoogte aan den zoom van het bosch!” Onze gids adviseert de wandelaar die voldaan is en het nu wel gezien heeft om op zijn schreden terug te keren. Maar Craandijk zelf is niet te stuiten. “Wij gaan verder, door de sparrenlaan op en af, onder 't genot van schoone doorkijkjes op blaauwe bergen en purperen heiden, of op donkere bosschen aan het einde van zandige paden, in 't akkermaalshout gebaand.” Verrassend genoeg gaat de tocht alsnog naar de Prins Willlemberg en de Carolinaberg. Vermoedelijk nog steeds met het rijtuig. De zon gaat onder, het wordt tijd om terug te gaan. “Maar die ondergaande zon waarschuwt ons ook, dat het tijd wordt, den togt te besluiten.” De tocht is dan weliswaar bijna afgelopen, maar eerst moet nog vermeld worden dat ‘ze’ niet richting Dieren gaan (“De laan, die regt op Dieren aanloopt, kiezen wij niet.”), wat de auteur de gelegenheid geeft nog wél enige wetenswaardigheden over het dorp Dieren te noteren. De route gaat wel richting Ellecom en de vermaarde Middachter Allee, ook toen al zo’n icoon, “met haar vierdubbele rij van hoog en trotsch opgaande beuken, de roem, niet enkel van Arnhems omtrek, maar van het gansche land.” Het eind is in zicht. “De avond is gekomen. Onder de statige gewelven der Middachter allee heerscht een plechtige duisternis. De slanke, krachtige zuilen van dezen woudtempel gaan ons voorbij, terwijl de paarden in kloeken draf ons huiswaarts voeren.”
Middachter Allee
We verspringen even in de tijd om te lezen hoe ik er zelf anno nu over schreef. De Middachter Allee is de verbindingsweg tussen de dorpen Ellecom en De Steeg. Met de aanleg van deze weg in 1751 werd een rij beukenbomen aan weerszijden van de weg geplant, die de zandverstuiving van de Veluwe naar de IJssel moest tegenhouden. Deze allee werd vaak de mooiste beukenlaan van Nederland genoemd. De beuken hadden na ruim 170 jaar een fenomenale hoogte van ruim 40 meter bereikt. In de laatste periode van de Tweede Wereldoorlog hebben de Duitse troepen de laan opgeblazen om de doorgang voor de geallieerden te blokkeren. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw is de laan in twee fasen vernieuwd. De nieuw geplante beuken hebben nu inmiddels een flink formaat bereikt en de kruinen vormen weer een koepel. Pas rond 2100 zullen ze de allure van de oude laan kunnen evenaren. Terug naar Craandijk die teruggekeerd is in De Steeg, wachtend op het volgende moderne vervoermiddel, niet dan nadat eerst geconcludeerd is dat de tijd die hier is doorgebracht welbesteed was. “Het stoompaard komt, om ons weg te voeren uit het oord, waar zooveel schoons ons boeide, waar zooveel belangrijks ons te aanschouwen werd gegeven. Niet zonder weemoed scheiden wij, maar ook niet zonder voldoening over de welbestede dagen en niet zonder dankbaarheid voor zooveel en zoo afwisselend genot, als ons hier was bereid.” Per saldo mogen wij concluderen dat Craandijk zelf maar een klein deel van de route tussen Arnhem en Dieren écht gewandeld heeft. Een ander deel tussen Rozendaal en De Steeg heeft hij in groter gezelschap met twee wagens bezocht en op het laatste traject tussen De Steeg en Dieren heeft hij een rijtuig met twee paarden genomen. Craandijk is misschien eerder wandelschrijver dan wandelaar, maar de wandelende dominee is een meester in de irrealis.
Rob Wolfs, augustus 2026



