Houtsnede van Jan Schonk
Jan Schonk, Hemelsche Bergpad, ca. 1923 Th. De Jager schreef een overzichtsartikel over werk en leven van Jan Schonk in het tijdschrift De Roeping, jaargang 4 (1925-1926). De kunstenaar wordt aan het begin van het verhaal gelijk goed ‘weggezet’. “Schonk, die nerveuze sombere man met z'n zwervende ogen, die geen minuut kan blijven zitten, en die in beroering komt als er hard of druk gesproken wordt, die opgevreten wordt van chagrijn, Schonk hoort naar 't karakter van z'n kunst in deze rij.” Deze karakteristiek kan ik niet helemaal of beter gezegd helemaal niet plaatsen. We leven nu wel honderd jaar later natuurlijk, dus is het vast de geest van de tijd die me ontgaat. Het werk van Schonk bestaat, behalve dan die enkele landschapsbeelden, grotendeels uit dierfiguren en ik kan daar weinig nervositeit in ontdekken. Ze lijken me eerder statisch en onbeweeglijk. De Jager schetst in een noot de biografie van Schonk. “Jan Th. Schonk, geb. 11 Juni 1889 (in Schiedam) woonde in z'n kinderjaren in