Afgelopen herfst kwam het er ineens van: ik kocht een hoed. Om mee te wandelen. Niet omdat het een noodzaak was, maar omdat ik tijdens onze wandelvakantie in Wales plotseling voor een koetshuis met een kleurrijke collectie vilten hoeden stond. Het klassieke model met brede rand en elegante leren band. Ik zag mij er meteen mee lopen. Wandelen zou er voortaan een dimensie bij krijgen. Vol overtuiging telde ik er 50 pond voor neer en nog geen minuut later liep ik als een ander mens de deur uit.
Inmiddels een halfjaar verder weet ik niet beter. Natuurlijk kende ik de voordelen van het dragen van een hoed. Hij beschermt je tegen de zon, al moet je wel zorgen dat het hoofddeksel ook een bepaalde mate van luchtigheid of ventilatie kent, waardoor je niet zo snel gaat transpireren. Ook wist ik dat je met een vilten hoed niet een middag in de regen moet lopen. Daarom kocht ik er, eenmaal weer thuis, ook een waxen exemplaar bij. En nu het voorjaar volop is begonnen, besloot ik ook maar meteen voor een luchtige hoed in zomervariant te kiezen, gemaakt van papier. Met als gevolg dat ik de hoedenplank in de auto voor het eerst kan gebruiken waarvoor hij bedoeld is.
Ondertussen heb ik, al wandelend, alle tijd gehad om na te denken over de vraag wat de hoed nu toevoegt aan het wandelplezier en waarom ik er van het ene op het andere moment niet meer omheen kon. Is het toch de leeftijd? Ik kocht de Engelse hoed tenslotte toen ik net 65 was geworden. Ik herinner mij dat mijn vader ook een hoed(je) ging dragen op het moment dat hij met vervroegd pensioen ging. Wordt in deze leeftijdsfase dan toch de heer in de man wakker? Of is het eerder de ontdekkingsreiziger uit lang vervlogen tijden die we in onszelf gewaar worden? Een wandelaar met hoed lijkt iets uit vervlogen tijden, een iconisch beeld dat vaak wordt geassocieerd met reizigers die met valies in de hand steden bezochten, of wandelaars met rugzak die traditionele routes bewandelden. Een wandelstok lijkt dan al gauw de nog ontbrekende accessoire, maar laat ik daar tijdens buitenlandvakanties nou al mijn leven lang mee uitgerust zijn! En ik ken natuurlijk de plaatjes van negentiende-eeuwse wandelaars die, zelfs in een donker driedelig pak en met een hoge hoed op, zich door het landschap begaven. Wandelen als vrijetijdsbesteding was immers een privilege dat alleen de gegoede burgerij, adel en intellectuelen zich konden veroorloven. Ook onze natuurvorsers Jac. P. Thijsse en Eli Heimans, beoefenaars van wat toen nog ‘natuursport’ werd genoemd, plachten zich zo te kleden op hun wandeltochten. Op een foto in hun vermaarde Wandelboekje voor Natuurvrienden (1900) zie je ze, zo wordt vermoed, op deze wijze uitgedost liggen langs een bospad bij Heino. Het heeft me nooit aantrekkelijk geleken, zacht gezegd. Al helemaal niet als je, zoals Thijsse en Heimans, lange dagtochten maakte, zoals te lezen is in het verslag van een gezamenlijke wandeling door Zuid-Limburg in de zomer van 1898: ‘Nu waren we al dertien uur onderweg, maar het paste niet, vermoeienis te tonen […] Die weg gaf heel wat te praten en te denken, we fleurden enigszins op.’
Vrouwelijke wandelaars waren helemaal een unicum. Terwijl wandelen voor hen heel lang sociaal ongepast of (vanwege de kleding) onpraktisch was, werd het pas met de opkomst van de ‘promenade’ een geaccepteerde activiteit. Voor langere tochten werden zij vaak nog per draagstoel, en getooid met de meest charmante hoofddeksels, naar mooie uitzichtpunten gebracht.
Ongetwijfeld is het zo dat er de nodige psychologie schuilgaat achter het dragen van een hoed en dat de hoed iets zegt over de drager daarvan. Hoeden zijn een symbool van zelfexpressie en identiteit, zo lees ik ergens op een commerciële website. Ze beschermen je niet alleen tegen de zon, maar brengen ook je ideeën, houding, interesses en nog veel meer over. Toe maar! De keuze voor specifieke kleuren, texturen, vormen en stijlen maakt er een statement van. Het is een manier om je te onderscheiden van anderen. Maar tegenwoordig zijn we allemaal wandervogels van divers pluimage. Om ons als wandelaar te onderscheiden, kunnen we te kust en te keur shoppen in de meest modieuze buitensportzaken. Wat dat betreft weten we bijna allemaal voldoende van de hoed en de rand. Kortom, de hoed past ons allemaal. Maar wat zou het mooi zijn als we ons ook de wellevendheid die daar ooit mee gepaard ging weer eigen zouden maken. Even de hoed lichten als we tegemoetkomende wandelaars passeren en vriendelijk groeten. Het zou de wereld een stukje mooier kleuren. Met de hoed in de hand kom je door het ganse land. Die negentiende-eeuwse wandelaars wisten hoe het werkte.



